Mwiriwe neza!

Om de vermoedens bij de taalfanaten en detectives onder jullie -mochten die er zijn- te bevestigen: we hebben voet gezet op Rwandese bodem. De voorbije dagen vertoefden we in Oeganda’s zuidelijke buurland om COPED te bezoeken, een afvalophaalbedrijf actief in Kigali en wijde omtrek. Een uitgebreide uiteenzetting van onze indrukken volgt later, inclusief een rapport over de Rwandese recreatiemogelijkheden (ook belangrijk, nee?). Verwacht jullie alvast aan overdosis informatie over alle interessante gebeurtenissen die ons de voorbije weken bezighielden.

Week twee hier in UG (ja, afkortingen worden hier te pas én te onpas gebruikt) diende onder andere als kennismaking met de werking van het bedrijf. We klommen mee in de trucks en legden samen met de werknemers hun dagelijkse ophaalrondes af, inclusief vroeg opstaan uiteraard. Hoewel we af en toe met het linkerbeen uit bed stapten, verscheen vaak het jolijt snel terug bij onze Oegandese collega’s waarvan sommigen echt wel een vijs of twee missen.

De twee trucks hebben elk een lijst met klanten, die wekelijks op dezelfde dag bediend worden. De huizen liggen ongeveer in dezelfde regio, maar de wegen maken het één groot avontuur. Hobbelig is hierbij een understatement, de chauffeurs hebben duidelijk skills. Het ophalen en inladen van de, regelmatig overvolle en gescheurde afvalzakken is ook niet voor watjes. Bovendien moeten vele klanten meermaals aangesproken worden i.v.m. achterstallige betalingen en duurt het vaak lang vooraleer ze hun poort openen.

Aangezien Waste Masters de midden- en hoge klasse bedient, ontmoeten we overdag voornamelijk de meiden die instaan voor het huishouden en zich dus ook bezighouden met het afval. Goed nieuws: de vier routes die al aangesproken werden tot sorteren, doen het vree goed. De werknemers spreken bovendien spontaan hier en daar klanten aan om hen vervolgens ook te introduceren tot het gescheiden verzamelen van organisch afval. Dat er nog vaak neergekeken wordt op de afvaljongens, blijft wel een jammere zaak.

Iedere ophaaltoer eindigt in Katikolo, waar het afval zijn rustplaats vindt. De stortplaats blijft voor elk van ons een adembenemende ervaring, jammer genoeg in minder aangename zin. Het betekent weer maar eens een confrontatie met de hachelijke manier waarop er met afval omgesprongen wordt. Zelfs Helena, die een jaar geleden een bezoek bracht aan de door de Wereldbank gesteunde stortplaats, staat versteld van de hoeveelheid afval die intussen opgestapeld is. Het schoentje wringt hier duidelijk en daarom is het heel belangrijk jullie een overzicht te geven van de situatie. Na de eerste feiten over afval in Oeganda, volgt hier verder een schets van de omgang met en het beleid omtrent afval.

 

Ons bezoek aan Rwanda heeft ons beeld op de afvalproblematiek nog meer verbreed. Het verschil met Oeganda is schril. Niet alleen de hoofdstraten zijn proper, zelfs de secundaire onverharde wegen in de dorpen zien er schoon uit. Plastieken zakjes zijn hier verboden, papier is de standaard.

Oeganda daarentegen… Daar rollen de plastieken zakken rond alsof het tumbleweed uit een spaghettiwestern is. Het plastiek wordt er na elke regenbui ingebed in de bodem door voorbijgangers die zich in de modder wagen. Aan de kant van de weg ligt afval vaak op hoopjes te smeulen, terwijl er zwarte rook uit verdwijnt. De geiten die in de berm staan te grazen durven zich ook wel tegoed te doen aan een lekker plastieken zakje. Sommige mensen lijken niet te beseffen dat er een probleem is, terwijl anderen klagen over het afval dat overal in de straten van Oeganda ligt. Deze foto vat het goed samen. Een bordje “Storten verboden, boete 50 000 shillings” met daaronder de assen van eerder verbrand afval gemengd met plastiek van de voorbije maand. Het afval begint een hoop te vormen, waar lokale bewoners een pompoenplant hebben gezet om over enkele maanden de vruchten lekker te bereiden.

Toch is het niet zo dat er geen inspanningen tegen het afvalprobleem genomen worden. Verschillende spelers halen afval op bij private klanten, vooral hoge en middenklasse die afvalophaling aan huis kan permitteren. Aan arme huizen rijden deze ophaaltrucks voorbij, want niet winstgevend. De overheid haalt hier ook op, maar vaker niet dan wel, want afvalbeleid is geen prioriteit op de bureaus in Kampala. Afval wordt hier voornamelijk gestort op landfills van de overheid. Ophalers die in het zwart werken, durven ook wel gewoon in een naburig moeras of (arme) wijk te storten. Dan zijn er nog de waste pickers. Deze mensen rapen de recycleerbare flesjes en harde plastiek van straat of uit een stort om door te verkopen aan een fabriek die ze recycleert.

Enkele jaren geleden heeft de World bank hier met geld van Carbon Credits (uitstootrechten voor bedrijven om wereldwijd de broeikasgassen in de lucht te verminderen) geprobeerd om afvalbeheer te installeren in Oeganda. Ze organiseerde NEMA, de National Environment Management Authority, die als onderdeel van de overheid zou moeten instaan voor de coördinatie van de afvalophaling en het afvalbeheer. De wereldbank installeerde ook 12 compostsites verspreid over Oeganda, waar afval zo duurzaam mogelijk beheerd zou worden, bijvoorbeeld door het organische afval te composteren en flessen uit te sorteren vooraleer te dumpen. 40 miljoen dollar en 12 jaar later blijkt het project echter verzopen te zijn in corruptie en wanbeheer. Bij een bezoek aan Katikolo, één van de twaalf afvalsites, blijkt compostering te gebeuren met evenveel plastiek, metaal, batterijen etc als effectief afbreekbaar organisch materiaal. Na enkele maanden fermenteren tot methaangas, wordt de plastiek uit de hoop gezeefd. De uiteindelijke compost is giftig, kan niet dienen om planten te voeden en is bijgevolg niets waard. Ze ligt er vooral voor de schone schijn, de verarmende landbouwbodems van Oeganda zijn er niets mee. En het plastiek? Dat wordt gedumpt in de landfill. Hoewel deze hooggelegen is, begint er in de metershoge stapel geperste plastiek een moeras te ontstaan waar kikkers kwaken en malariamuggen zich voortplanten. Er groeien ook gewassen in de bergen plastiek: pompoenen, maniok en tomaat. De verantwoordelijke van de site bood Helena een tomaat aan, maar een vriendelijke weigering was de slimste zet.

Nochtans zijn de meeste Oegandezen wel bezorgd om het afval. Als we vertellen wat we hier komen doen, reageren ze enthousiast: “Ja, afval is een groot probleem in Oeganda.” Ze zien Rwanda als een voorbeeld en willen dat afval hier ook strikt wordt gereguleerd en beheerd. De overal rondslingerende Kaveera’s (plastiek zakjes) die in Rwanda verboden zijn, storen hen. Ook boeren hangen aan je lippen wanneer je vertelt over composteren, waarmee ze zelf meststof kunnen maken uit de organische fractie van hun huishoudafval. Er is dan ook veel potentieel: 80% van het huishoudelijk afval bestaat uit composteerbaar groenafval.

We hebben meer dan eens het gevoel dat we dingen teweeg kunnen brengen en dat wat we doen echt een verschil kan maken. Het project kan dan al halverwege zijn, aan verse ideeën en plannen geen gebrek. Om de woorden van de, morgen vermoedelijk herverkozen, Rwandese president Paul Kagame te gebruiken:  the best is yet to come.